Foto:

Dierenliefde

  Column

Colmn Hilde Wijnen

Ergens hier in huis zit een spin. Tja, zult u denken, die beesten moeten toch ergens wonen. Inderdaad, maar ik denk daar liever niet aan. Voor het grootste deel van de tijd lukt dat ook aardig. Uit het oog, uit het hart. Maar vandaag schoof ik een doos opzij en ja hoor, daar zat er een. Een joekel! Zo'n donzige dikkerd van een centimeter of tien, u kent ze wel.
Vroeger had ik een poes die ze ving, of een man, en nog eerder een vader. Die werd steevast naar mijn kamer gesommeerd zodra ik er eentje signaleerde net voor het slapengaan, ze doen het erom, het schoelje. Nergens mocht mijn vader heen tot hij mij het gevaarte kon tonen, zo plat als een spinnenweb. Uiteraard op gepaste afstand, want ik was er ook dood als de dood voor.
Maar goed, die tijd is voorbij. Ik dop mijn boontjes zelf.

Kan ik best.

Zo eten wij nu staand op onze stoelen ons ontbijt. Doe ik mijn laarzen aan als ik naar de keuken wil, waar ons ongewenste huisdier zich vermoedelijk heeft verschanst. Komen we stampend thuis, omdat er serieus mensen zijn die beweren dat spinnen banger zijn van ons dan wij van hen. Zit ik steeds naar het kastje te loeren waar het monster vanochtend onder verdween. Schrik ik me te pletter van elke rotvlieg. Schud ik mijzelf door elkaar, de exorcist is er niks bij, als er wat kriebelt. Besteed ik minstens een uur aan denken over het gat in de markt voor spinnenvangers en twijfelen over of ik dan liever een spinnenvanger bel of op spinnenfobiecursus ga (het eerste). Zit ik op de bank ervoor te zorgen dat mijn benen niet gaan slapen, zodat ik weg kan rennen als het nodig is.
Alles onder controle.
Nu nog bedenken hoe ik kan slapen zonder dat ik uren met wijdopen ogen probeer te horen of er een spin het bed in kruipt waarin ik ook lig. Eens moet de eerste keer zijn.
Gelukkig doen ze niks.

Meer berichten