
Nooit-Alleen-Steen op schoolplein: ‘Niemand hoeft aan de kant te staan’
AlgemeenARNHEM - “Burgemeester, ik heb een idee.” Met die woorden stapte Jaece (11), leerling van de Johannesschool, vorig jaar tijdens het schoolontbijt in het Arnhemse stadhuis op burgemeester Ahmed Marcouch af. Zijn idee was even eenvoudig als raak: een Nooit-Alleen-Steen op het schoolplein. Een plek waar kinderen kunnen gaan zitten als ze zich alleen voelen, iemand zoeken om mee te spelen of niet goed weten hoe ze moeten vragen of ze erbij mogen.
Een jaar later is dat idee werkelijkheid geworden. Op het schoolplein van de Johannesschool ligt de Nooit-Alleen-Steen: een plek voor kinderen die even niet weten bij wie ze horen. Wie op de steen gaat zitten, hoeft niets uit te leggen. De steen zegt genoeg.
Voor andere kinderen is het juist een uitnodiging om op te letten. Zit er iemand op de steen? Dan kun je ernaartoe lopen, vragen of iemand mee wil doen of gewoon even naast iemand gaan zitten.
Volgens Marcouch zit de kracht van het idee juist in de eenvoud. “Iedereen kent dat gevoel. Je wilt meedoen, maar weet soms niet goed hoe je dat moet vragen. Deze steen helpt kinderen om dat zichtbaar te maken, zonder dat ze het hardop hoeven te zeggen.”
De Nooit-Alleen-Steen laat volgens de burgemeester zien dat omzien naar elkaar al op het schoolplein begint. Een school moet een plek zijn waar ieder kind mee kan doen. Niet alleen de kinderen die makkelijk vriendjes maken, maar ook het kind dat nieuw is, verlegen is of even buiten de groep valt. “Niemand hoeft aan de kant te blijven staan”, zegt Marcouch. “Dat is samen school zijn. En eigenlijk ook samen stad zijn.”
Het initiatief wordt gedragen door de Johannesschool en Rotary. De hoop is dat meer Arnhemse scholen het voorbeeld volgen, zodat steeds meer kinderen weten waar ze terechtkunnen als ze zich alleen voelen. Voor Marcouch is Jaece daarmee een voorbeeld. “Niet omdat hij een ingewikkeld plan bedacht, maar omdat hij goed keek naar wat er op zijn eigen schoolplein gebeurde. Hij zag dat sommige kinderen soms alleen zijn en dacht: daar kunnen we iets aan doen.”