De op transport gezette berin.
De op transport gezette berin. Foto: Amber Grotenbreg

Tsjechische beer moet voor nageslacht zorgen

Algemeen

ARNHEM - Koninklijke Burgers’ Zoo probeert met verhuizingen weer jonge Maleise beren te verwelkomen.

De coördinator van het Europese populatiemanagementprogramma (EEP) voor Maleise beren staat voor uitdagingen. Zo is de dierentuinpopulatie van deze berensoort niet zo groot: 36 Maleise beren in totaal. Ook zijn er meer vrouwtjes dan mannetjes, respectievelijk 26 versus 10. Maleise beren planten zich vrij moeilijk voort, terwijl de huidige dierentuinpopulatie steeds ouder wordt. Tenslotte heeft Brexit ervoor gezorgd dat (tijdelijke) uitwisselingen van Maleise beren met dierenparken in het Verenigd Koninkrijk een stuk lastiger is geworden vanwege veel papierwerk.

Onlangs is een mannetje uit Tsjechië in Arnhem aangekomen voor een tijdelijk verblijf. En is een Arnhems vrouwtje permanent in de andere richting vertrokken.

Burgers’ Zoo heeft al eerder succesvol weten te fokken met Maleise beren. In 2019 werden drie jongen geboren, bij twee verschillende vrouwtjes. In Arnhem leven nu drie vrouwtjes in de leeftijd van 26, 25 en 7 jaar.

Het vrouwtje van 7 jaar verhuist permanent naar Usti in Tsjechië, in de hoop dat ze daar met een onverwant mannetje jongen mag krijgen.

Het Tsjechische mannetje dat tijdelijk in Burgers’ Zoo verblijft, is 24 jaar en heeft al eerder drie jongen (één mannetje en twee vrouwtjes) weten te verwekken in Usti.

Speciale kraamverblijven

Bij veel roofdieren geldt dat het drachtige vrouwtje zich terug wil trekken in een kraamverblijf waar zij zich volledig veilig kan wanen. Belangrijk is dat dit kraamverblijf zoveel mogelijk geluidsdicht is en dat niemand de rust daar komt verstoren. Wanneer een vrouwtje zich niet volledig veilig waant, kan zij in een reflex haar jongen doden en opeten.

Burgers’ Zoo heeft bij het ontwerp van het berenverblijf speciale kraamverblijven ontwikkeld, waar de drachtige berin zich in alle rust kan terugtrekken.

Op transport.
Foto: Amber Grotenbreg