Foto:
Column Hilde Wijnen

Ommetje

Ik ging maar eens ommetje maken, op zoek naar avontuur. Ik vond twee kleuters met een kraampje die zich koningen voelden toen ik iets kocht, een man die eruit zag als een volle emmer en me tegemoet kwam alsof ik weleens de druppel kon zijn, een vroegoud kind dat in een telefoon schreeuwde, twee gehoofddoekte vrouwen voor de ingang van de moskee met stapels dampende pizza’s, een hinkende hond, drie mensen op een terras die hard lachten en me vervolgens aankeken alsof ik elk moment met een rode kaart kon gaan zwaaien.

Vier gesprekken had ik onderweg. Het begon met eentje waarin werd gezegd dat we toch allang voorbij het punt waren dat de dagen een schoonheidsprijs verdienden. Daarna sprak ik met de eigenaar van de hinkende hond, die me ervan verzekerde dat de hond er vanochtend al zo bij had gelopen en niet pas sinds net, toen ik het toevallig opmerkte. Hij beloofde me er thuis naar te gaan kijken, echt. Ik kende hem niet, maar vond dat een goed idee.

Een eindje verderop fietste iemand die ik erg mag, maar wiens naam me toch vaak ontschiet. Over spullen spraken we, en hoeveel ruimte die in kunnen nemen in jezelf.

In de binnenstad werd een berglandschap gebouwd van oud papier. Daar praatte ik lang met een vriendin met wie ik graag lang praat. We stonden op een toneel, zo leek het, om ons heen gingen steeds deuren open en weer dicht. Uit een ervan kwam een man met onder elke arm een anderhalvemetermop.

Tijd om te gaan.

Op de terugweg nog een meisje dat blij was met zichzelf, zomaar omdat ze bestond, en een groep kinderen die dansles kregen op de stoep en ik bleef even staan om te kijken hoe ze over de stenen waaierden en naar de zon die achter ze stond.

Voor de deur van mijn huis vond ik een mens met een hart dat helemaal klopt en een pannetje warm eten. Ze wachtte tot ik de tafel zou dekken en vond het niet erg dat het huis een troep was.

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden